Waarom is de Max Havelaar niet populair in post-koloniale kringen, zelfs niet het ontroerende verhaal van de twee jonge geliefden Saïdjah en Adinda? Die vraag stelden de hoogleraren J.A.A. van Doorn en Cees Fasseur al in 1995 (De laatste eeuw van Indië respectievelijk De weg naar het paradijs). Misschien omdat het dwingt tot het besef dat een fatsoenlijk man als Eduard Douwes Dekker in het Indië van 1856 niet tegen het Nederlandse bestuur was. Ook niet tegen het cultuurstelsel. Hij vond dat de daar en toen geldende regels correct en eerlijk moesten worden toegepast. Is het het onvermogen om je in te leven in een andere tijd? En daarbij het feit dat de geschiedenis ingewikkeld is (net als het heden en het leven op zich). In de Max Havelaar was namelijk de symbiotische relatie tussen Nederlandse bestuurders en de corrupte Javaanse elite een belangrijk deel van het probleem.
Vanuit de huidige opvattingen is daar echt alles fout gegaan, overheersing, uitbuiting, een soort bijna-slavernij, racisme, geweld. Met één lichtpunt voor de zich steeds schuldiger voelende moderne Nederlander: de negentiende-eeuwse bestseller van Eduard Douwes Dekker genaamd Multatuli, waarin die misdaden aan de kaak worden gesteld. Die aanklacht heeft ook nog eens de vorm van een magistrale roman. Willem Frederik Hermans schreef 46 jaar geleden, “Multatuli, hoe krom gegroeid ook in Nederlands kromme literaire klimaat, kan zonder twijfel worden genoemd: de enige Nederlandse auteur die meer dan honderd jaar interessant gebleven is.” Je zou dus verwachten dat Multatuli’s Max Havelaar geregeld zou opduiken in politiek correcte discussies over ons koloniaal verleden en het overkoepelende woke-discours in de media. Het is echter zoeken met een lantaarntje naar een woke-kampioen die Douwes Dekker op het schild heft. Waarom?
Mijn zoektocht leidt naar het Multatuli Genootschap en daarvan is mevrouw Elsbeth Etty voorzitter. Zij stelt vast dat Douwes Dekker de eerste woke schrijver was van het Nederlandse taalgebied. Diens in 1860 verschenen Max Havelaar is immers “een aanklacht tegen wat we tegenwoordig institutioneel racisme noemen”. Etty wijst erop dat de schrijver zelf zijn boek vergeleek met Harriet Beecher Stowe’s roman Uncle Tom’s Cabin (zij vermijdt decent de door Multatuli gebruikte titel De negerhut van Oom Tom). Natuurlijk zul je bij de voorzitter van een Multatuli Genootschap niet een anachronistische kijk op de geschiedenis aantreffen. De voorzitter schrijft dan ook: “Weliswaar bestond het begrip ‘woke’ in zijn tijd niet, evenmin als de termen racisme en seksisme” (…) maar in het verhaal ‘Saïdjah en Adinda, geeft hij de naamloze slachtoffers voor het eerst een stem’.
Toch vrees ik dat Multatuli een zware tijd tegemoet gaat. Een bespreking in de Groene Amsterdammer is omineus: ‘Ook in Multatuli’s werk is er een zwijgen over seksuele uitbuiting – het beeld van hem als aanklager van burgerlijke hypocrisie kantelt’. Oef! Mag ik dan op de valreep ter verdediging van Nederlands grootste schrijver, Willem Frederik Hermans aanhalen (die op een gedeelde tweede plaats staat): ‘Het anachronisme spook is nooit ver weg’. En via van Doorn kom ik op de historicus Johan Huizinga die zelfs schreef dat het vermijden van anachronisme de helft van het werk van de historicus is. Zolang er historici zijn is er hoop, denk ik dus maar. En zolang er leven is buiten Amsterdam. Goede schrijvers groeien vaak op in Amsterdam – Douwes Dekker, Hermans, Reve – en worden elders groot. Ruimtelijk en in de tijd afstand nemen van ‘Ons Amsterdam’ kan wonderen doen. Als wij in gedachten eens dat voorbeeld volgen en vijftig jaar teruggaan in de tijd. Dik van der Meulen beschrijft in zijn mooie boek over Multatuli de volgende scène. In 1972 overhandigde de Nederlandse ambassadeur in Rangkas-Betoeng – waar Douwes Dekker indertijd als assistent-resident zat – de Indonesische vertaling van Max Havelaar aan de nazaten van de ‘foute’ regent van 1856, Raden Karta Nata Negara. De historische rol van die toenmalige regent zoals door Multatuli beschreven gaf tijdens de plechtigheid geen probleem, niemand had daar op dat moment de Max Havelaar gelezen. En ieder wist: dat prachtige verhaal (dat iedereen daar wel kende) over Saïdjah en Adinda werd geschreven door ‘de enige Hollander die deugde’. Een van de hoofdstraten in Rangkas is zelfs genoemd naar deze ‘beroemde voorvechter van Indonesiës onafhankelijkheid’. Zo beroemd was Multatuli nog in 2000 toen Dik van der Meulen Rangkas bezocht. Hij zag dat de naam Multatuli diende om een plan voor zonne-energie te promoten.
Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te Badoer die gestorven waren. Men kleedde hen in een wit kleed en begroef hen in de grond;
Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de dessah, oostwaarts tegen de heuvel waar het gras hoog is;
Dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar’ sarong zal zachtkens voortschuiven langs het gras, …
Ik zal het hooren.
(Multatuli. Max Havelaar. G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1949. Blz. 185-203: Saïdjah en Adinda)
De verwerking van onze koloniale geschiedenis en het bredere fenomeen van de emancipatie van minderheden lijken mij aspecten van onderliggende verschuivingen in de Europese cultuur. Zo’n onderstroom stuwt ook de uit Amerika overgestoken woke-storm. De razendsnelle aanpassing aan die laatste door de reclamewereld en de met elkaar concurrerende media doet ons zelfs vergeten dat het Amerikaanse en het Euro-Aziatische continent héél langzaam uit elkaar drijven.
(Hier zijn de voor dit artikel gebruikte bronnen te vinden)
